Volle Overgave in het Ziekenhuis

Jose Ollie Oltthoef is gescheiden en moeder van dochters Melene (6) en Iris (9). Deze keer heeft ze het over een ontmoeting in het ziekenhuis dat haar niet loslaat. Hij ligt in het bed tegenover Puck in het ziekenhuis. Vier kinderen komen in deze kamer bij van de ingreep aan hun amandelen. Mijn blik vangt de zijne. Hoe oud is hij? Vier, hooguit vijf. De manier waarop hij in bed ligt verontrust me. Hij oogt gelaten, verdoofd Het is een gemoedstoestand Dit is niet het effect van narcose. Want wakker is hij zeker, de ogen zijn alert en kraakhelder. De moeder, als het de moeder is, lijkt zeer jong. Zij zoekt weifelend de vingers van haar zoon die nauwelijks op aanraking.

Hier Is Iets niet in de haak, maar wat? Er gebeurt niks aanwijsbaar verkeerds’ reageert. Er hangt een dranklucht om de oude man die aan de andere kant van het bed zit en stuurloos voor zich uitkijkt. Zijn donkere houding straalt weinig warms uit. De jongen verroert zich niet, er gaat zomaar een uur voorbij. De andere kinderen hebben na aankomst uit de verkoeverkamer gehuild of geschreeuwd. Puck probeerde meteen rechtop te zitten. Alles om zo snel mogelijk weg te kunnen. Hij niet. “Mama,” vraagt Puck, “wanneer mogen we naar huis? De verpleegster komt zo bij ons. Ik leg ter geruststelling mijn hand op haar bovenbeen. Ik ben me van elke beweging bewust nu ik de priemende ogen van de jongen voel. Is het een onderdrukte schreeuw om hulp? Ben ik de enige in deze ruimte die het ziet? Het is alsof we dit gevoelsmoment delen, de jongen en ik. De zuster maakt een praatje aan zijn bed “Ik moet een sigaret roken,” hoor ik de moeder zeggen. Ze ontwijkt oogcontact en strijkt zenuwachtig over haar been, een aansteker zoekend in de strakke broekzak. Vader (denk ik, of is het opa?) knikt naar de verpleegster. Dan richt hij zich tot de jongen: “Kom op, joch, ga eens zitten.” Het klinkt rauw. Hier is iets niet in de haak, maar wat? Er gebeurt niks aanwijsbaar verkeerds. Ik weiger als volslagen vreemde de situatie negatief in te vullen maar de apathie gaat me door merg en been. Daar kan ik niet omheen.

Totale overgave. Hij lijkt, zo jong als hij is, alle hoop te hebben opgegeven. Wanneer onze blikken kruisen is het alsof hij het contact kort toelaat. Dan sluit hij de ogen. De man draait zich ineens om, die wil natuurlijk weten waar het joch’ de hele tijd naar kijkt. Ik zou deze jongen willen troosten. Hoe geef je een omhelzing, zonder iemand aan te raken? Want dat kan nu natuurlijk niet, ze zien me al aankomen. Of ik maak alles erger. Puck zit inmiddels op schoot en kletst honderduit. Dan brengt de verpleegster het goede nieuws: we mogen, als eerste van de vier gezinnen, weg. Puck kleedt zich aan en slaakt een zucht van verlichting. Ook ik ben opgelucht. Bij vertrek draai ik me even om. Hij geeft een glimlach die ik met opgestoken duim beantwoord Verderop in de gang laat ik stil de tranen van schuld en onmacht lopen.